Vogelteller in de kijker - Otto de Vries
Al meer dan vijftig jaar telt Otto de Vries vogels voor uiteenlopende monitoringprojecten. Van watervogels op het IJsselmeer tot steltlopers langs de Waddenkust: zijn tellingen leveren waardevolle gegevens op en een schat aan bijzondere ervaringen in het veld.
Vogels kijken begon voor mij in 1969, als ontspanning naast mijn werk in de metaalindustrie, waar veel herrie was. Via een kennis bij het IVN en Hans Faro van Staatsbosbeheer kreeg ik mijn eerste vogelkennis. Samen controleerden we nestkasten in de bossen van de Wieringermeer. Niet veel later vroeg het toenmalige R.I.N (Rijksinstituut voor Natuurbeheer) mij om watervogels op het IJsselmeer te tellen. Deze januaritelling groeide later uit tot de Midwintertelling. In 1973 richtte ik samen met mijn broer en anderen de Vogelwacht Wieringermeer op. Daarna kwamen er steeds meer tellingen bij via Sovon, waaronder maandelijkse ganzen- en zwanentellingen. Na tien jaar tellen op het IJsselmeer ben ik me gaan richten op de binnenlandse gebieden. Dat doe ik nog steeds, ieder telseizoen opnieuw.
Tellen is meer dan alleen buiten zijn
Wat tellen voor mij zo boeiend maakt? Natuurlijk het buiten zijn, maar ook het verzamelen van betrouwbare gegevens. Cijfers laten zien wat er écht verandert in de vogelwereld. Alleen door goed en consequent te tellen, kun je zien wat er werkelijk verandert. En dan is er natuurlijk de beleving: de indrukwekkende aantallen ganzen en Kleine Zwanen die vroeger in de Wieringermeer overwinterden. Gelukkig heb ik daar nog veel mooie foto's, dia's en geluidsopnamen van. Mijn passie voor vogeltrek ontstond later op de IJsselmeerdijk bij Medemblik, waar Ruud Brouwer mij enthousiast maakte. Al snel gingen we ook bij Den Oever, aan de Afsluitdijk, trektellen. Dat bleek een schot in de roos: zo ontstond de officiële LWVT-telpost nummer 411, jarenlang een prachtige plek om de vogeltrek te beleven!
Alles is boeiend op het Wad
Wat de Waddenkust zo bijzonder maakt? Eigenlijk alles! Niet alleen de vogels, maar het hele Wad. Samen met Wim Tijssen nam ik ruim twintig jaar geleden het tellen over van Theo Mulder en Pim de Kok. Geen telling is hetzelfde en juist door alle gegevens aan Sovon door te geven, worden veranderingen prachtig zichtbaar. Je ziet bijvoorbeeld verschuivingen in de aankomsttijden van soorten, of een toename van soorten zoals de Bergeend op de Waddenzee. De aantallen Kanoeten kunnen sterk fluctueren en ook de Drieteenstrandlopers lijken toe te nemen door de verzanding van het Wad. En dan zijn er natuurlijk de spectaculaire momenten: de zwermen Kanoeten of Bonte Strandlopers boven het Wad, grote aantallen IJslandse Grutto's of een Grauwe Franjepoot die tussen de steltlopers zwemt. Natuurlijk zie je ook ontwikkelingen waar je je zorgen over maakt. Maar het is net zo mooi om positieve veranderingen te zien. Zaken die aandacht vragen, worden doorgegeven en besproken met de juiste instanties. Zelf ben ik vooral een teller; dat andere werk wordt vaak gedaan door de wetlandwacht, die over de juiste contacten beschikt.
Van een Woestijnplevier tot 100.000 Zwarte Sterns
Een van de meest verrassende waarnemingen was de ontdekking van een Woestijnplevier in 1985. Een vriend ontdekte de vogel toen we met een groep op het Wad bij Den Oever waren. We hadden de verschillende soortgroepen verdeeld en hij keek naar de Bontbekplevieren toen hij ineens deze bijzondere soort ontdekte. Ook de slaaptrek van Zwarte Sterns bij Vatrop aan de Wieringer Waddenkust heeft diepe indruk gemaakt. In de topjaren telden we op één avond maar liefst 100.000 vogels. De teldagen op de Afsluitdijk in de jaren tachtig en negentig waren prachtig, maar ook nu sta ik nog graag op het Dwingelderveld, de Dijkgatsweide of op Vlieland om van de vogeltrek te genieten.
Verdwijnen én verschijnen
In al die jaren heb ik de natuur flink zien veranderen. Sommige soorten verdwijnen of nemen af, terwijl andere juist opkomen. In de jaren zeventig hoorde je overal Veldleeuweriken zingen en waren Bonte Kraaien en Ruigpootbuizerds vaste wintergasten in de Wieringermeer. Die zijn nu veel schaarser. Tegelijkertijd zien we soorten uit het zuiden oprukken; een Zwartkopmeeuw was in de jaren tachtig nog een echte bijzonderheid! De natuur blijft veranderen. Het is een kwestie van aanvaarden hoe de natuur zich ontwikkelt, ook al denk ik soms met weemoed terug aan andere tijden. Er is veel veranderd, positief én negatief. Maar blijf vooral met elkaar in gesprek en gooi geen modder naar elkaar. Daar schiet niemand iets mee op.
Leren doe je vooral buiten
Mijn advies aan beginnende vogelaars en tellers is om niet te hard van stapel te lopen. Probeer bijvoorbeeld ieder jaar tien nieuwe soorten goed te leren herkennen. Sluit je aan bij een plaatselijke vereniging en ga mee met excursies. Of trek eens een of meerdere keren op met een ervaren teller. Lees in vogelgidsen en maak gebruik van de vele mogelijkheden die er tegenwoordig online en via multimedia zijn. Maar doe vooral veel veldwerk. Daar leer je uiteindelijk het meeste van. Nog op het wensenlijstje En als er nog een paar wensen mogen worden uitgesproken? Een Alpengierzwaluw of een Alpenheggenmus zou ik wel heel leuk vinden om nog eens te zien.
Jelle Abma
Medewerker communicatie en vrijwilligers