MUS-teller in de kijker: Marian Peterse
Marian ging als kind de natuur in met tante Jo en zag daarbij haar eerste Korhoen. Ze doet al twintig jaar mee met MUS in een gevarieerde wijk. De ontwikkelingen onder je neus zien gebeuren – ook als het negatieve ontwikkelingen zijn – blijft interessant.
Lang nadat ik het ouderlijk huis verlaten had kwam ik daar mijn boekje Op zoek naar de natuur (Meulenhoffs Natuurgidsen) tegen, dat ik als twaalfjarige gekregen had. Hierin bleek een door mij geschreven verslag te zitten van een vogelexcursie met mijn tante Jo op 24 juni 1972 naar de Kampina; ik was toen 15. Ik had dit verslag geschreven voor de Vogelwerkgroep die de excursie georganiseerd had. Uit het lijstje waarnemingen bleek ik een korhoen gezien te hebben. Kon ik nu als schaamsoort schrappen… Net als mijn broertjes, zusjes, neefjes en nichtjes logeerde ik als kind af en toe bij mijn tante Jo die ons de natuur in meenam. Zij wees ons dan als gepassioneerde natuurliefhebber op planten en vogels. Bij de helft van de broers, zussen, neven en nichten heeft ze toen het natuurzaadje geplant. Insecten hadden mijn voorkeur, en vanaf het begin van het Vlindermeetnet tel ik vlinders, al snel ook gevolgd door libellen. Gericht naar vogels kijken en luisteren deed ik pas later, mijn eerste vogelgidsje heb ik in 1993 gekocht.
Twintig jaar MUS, wat is er zo leuk aan?
Toen ik mijn vriendin leerde kennen, ben ik met haar mee gaan doen met haar BMP- en PTT-plots, die ik inmiddels meer dan een kwarteeuw tel. Op de oproep om mee te doen met de nieuwe telling voor stadsvogels, MUS, heb ik direct gereageerd: je huis uit stappen en meteen in je telplot staan, dat leek me ideaal! Ik woon in een jaren zeventig/tachtig wijk in Utrecht, een zogenaamde Vogelaarwijk, wat ik altijd een toepasselijke naam gevonden heb. De wijk is ruim opgezet met eengezinswoningen, vier-hoogflats en tien-hoogflats, met veel groen en twee grote parken met uitgebreide ‘lobben’ de buurten in. Vlakbij waar ik woon ligt een eeuwenoude vaart, de Klopvaart, die onderdeel is van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en die twee forten met elkaar verbindt. Mijn postcodegebied omvat ongeveer een vierde van de totale wijk en mijn telpunten zijn redelijk verdeeld over meer stenige plekken en behoorlijk groene plekken.
Leuke of bijzondere waarneming tijdens MUS?
Qua soorten is het telplot niet bijzonder. Af en toe vliegt een ijsvogel over de Klopvaart als ik langs fiets, maar het is me slechts één keer gebeurd dat-ie netjes door de telling heen vloog. Zo ook met een visdiefje, een goudvink, een braamsluiper: eenmalige krenten in de pap. Een keer vloog er ‘s ochtends vroeg vlak naast mij een gierzwaluw onder het dak vandaan. Extra leuk omdat ik toen al enkele jaren meedeed met een inventarisatie van gierzwaluwnesten in Utrecht, opgezet door de gemeente. Ik wist in welke buurten in de wijk kolonies zaten, maar deze plek was mij niet bekend.
Tijdens de telronde vallen ontwikkelingen op, zowel positief als negatief. Een groene vogelrijke tuin op een van mijn telpunten bleek tijdens de eerste telronde een jaar geleden veranderd in een strak betegelde tuin zonder een sprietje gras! Tegelijkertijd is de gemeente bezig met het vergroenen van brede stoepen.
Tussen de woningen staan kijken en luisteren naar vogels kan ongemakkelijk voelen; soms zie je wantrouwige ogen tussen de gordijnen door turen: wat doet dat mens daar?! Maar ik kom ook mensen tegen die vragen waar ik naar kijk en me dan enthousiast beginnen te vertellen dat ze net door de polder gewandeld hebben en welke vogels ze daar allemaal gezien of gehoord hebben. Of nieuwsgierige kinderen die bij een avondronde op me af renden: “Mevrouw, wat doet u?” Ik tel vogels. “O, ik zie een vogel!” “Mevrouw, mevrouw! Daar zit een duif!” begonnen ze behulpzaam te roepen.
Wat je verder nog kwijt wilt?
Vaak is het frustrerend hoe weinig vogels ik zie en hoor. Zeker de laatste tien jaar is dat het geval. Maar dan realiseer ik me dat weinig vogels zien wel ‘belangrijk is voor de wetenschap’, en de hoop op iets leuks, de stilte van een vroege zondagochtend en de leuke of grappige ontmoetingen maakt dat ik stoppen met MUS geen optie vind. De ontwikkelingen onder je neus zien gebeuren – ook als het negatieve ontwikkelingen zijn – blijft interessant.