Oehoes blijven toenemen, dynamiek verandert
Het jaar 2025 laat zien dat de grootste uil van Europa zich stevig heeft gevestigd in ons land, met nieuwe territoria en succesvolle broedsels. Tegelijkertijd nemen risico’s toe: verstoring, infrastructuur, predatie en (regionale) verschillen in broedsucces zetten druk op de populatie. Het jaarverslag over 2025 van de Oehoe Werkgroep Nederland (OWN) schetst het beeld van een soort in een landschap dat steeds voller en complexer wordt.
Sinds de eerste succesvolle broedgevallen eind vorige eeuw heeft de Oehoe een opmerkelijke comeback gemaakt in Nederland. Wat begon met enkele territoria in Zuid-Limburg is inmiddels uitgegroeid tot een verspreiding over meerdere provincies. In 2025 werden opnieuw meer territoria vastgesteld dan in voorgaande jaren.
De kerngebieden liggen nog altijd in Limburg en Noord-Brabant, waar steengroeves, zandafgravingen en grootschalige natuurgebieden geschikte broedlocaties bieden. Ook in Gelderland en Overijssel worden steeds vaker territoria gemeld. De soort breidt zich geleidelijk uit richting het midden en noorden van het land, al blijft de dichtheid daar lager.
Opvallend is dat een deel van de nieuwe territoria ontstaat in industriële landschappen — bijvoorbeeld op bedrijventerreinen of nabij infrastructuur. De Oehoe blijkt flexibel in nestplaatskeuze, zolang rust, hoogte en voldoende voedsel beschikbaar zijn.
Territoria
In 2025 zijn 129 oehoeterritoria vastgesteld, een toename van 26 ten opzichte van 2024. Er werden 39 nieuwe vestigingen gevonden, terwijl op 6 locaties Oehoes terugkeerden en in 19 gebieden juist verdwenen. De grootste groei ten opzichte van 2024 vond plaats in Noord‑Brabant (32 territoria t.o.v. 25), gevolgd door Overijssel (22 t.o.v. 16), Limburg (35 t.o.v. 30), Gelderland (25 t.o.v. 21), Drenthe (12 t.o.v. 9) en Utrecht (2 t.o.v. 0). In Friesland werd slechts één territorium genoteerd, in 2024 was waren dit er twee. Opvallend is dat nu ook de Utrechtse Heuvelrug bezet is geraakt, iets waar al langer op werd gerekend.
De nieuwe vestigingen liggen vrijwel allemaal in grotere bosgebieden, waar ruim 80% van alle territoria voorkomt (waarvan 3% in hellingbos); bijna 12% bevindt zich in steen‑ en zandgroeves. Kleinere aantallen Oehoes werden gevonden bij natte zandwinningen, voormalige vuilstorten, industrieterreinen en op ruïnes. In 2025 werden 55 nesten daadwerkelijk gevonden en zijn op 12 locaties uitgevlogen jongen gehoord zonder dat een nest was gevonden. In totaal dus 67 nestlocaties, verdeeld over ongeveer acht typen nestplaatsen. Zo’n 75% van de broedsels bevond zich in bomen – voornamelijk in oude roofvogelnesten en in speciaal geplaatste nestkisten of hondenmanden – terwijl circa 12% op richels of in holen van steile groevewanden zat; de rest broedde op technische installaties, silo’s, de bosbodem of zandheuvels.
Ontsnapt?
In 2025 werden 126 oehoes waargenomen buiten de bekende broedplaatsen. Hoewel sommige waarnemingen waarschijnlijk broedvogels of jonge vogels betreffen die zich na het broedseizoen verder van hun nestgebied begeven, zijn Oehoes inmiddels in alle provincies gezien. In het westen van het land leidde dit echter nog niet tot bevestigde broedgevallen, mogelijk doordat deze ontbraken, niet ontdekt werden of bewust geheim werden gehouden. Een deel van de meldingen betrof vermoedelijk ontsnapte of tamme vogels, aangezien sommige oehoes opvallend tam waren en van zeer dichtbij konden worden benaderd, zoals gevallen in Amersfoort, Heiloo en Hoogwoud.
Broedsucces en regionale verschillen
Binnen de 129 territoria werden 67 nestlocaties gevonden of bevestigd. Daarvan waren 50 nesten succesvol, goed voor in totaal 115 uitgevlogen jongen. Dat betekent gemiddeld 2,3 jongen per geslaagd broedsel en 2,1 per nest inclusief mislukkingen. Vijf nesten mislukten (7,5%), een lager percentage dan vorig jaar en onder het tienjarig gemiddelde. De meeste succesvolle nesten brachten twee of drie jongen groot; slechts enkele hadden één of vier jongen. In één geval mislukte een broedpoging waarschijnlijk door verstoring door fotografen. Een ander paar begon na een mislukking elders opnieuw en bracht daar alsnog jongen groot. Hoewel het broedsucces in absolute zin positief is, bestaan er duidelijke regionale verschillen. In sommige kerngebieden lag het succes lager dan in voorgaande jaren. Mogelijke oorzaken zijn predatie en verstoring. Voedselbeschikbaarheid speelt eveneens een belangrijke rol. Oehoes zijn opportunistische predatoren en jagen onder meer op konijnen, ratten, duiven, kraaiachtigen en middelgrote zoogdieren. In gebieden waar konijnenpopulaties laag zijn, onder meer door Rabbit Haemorrhagic Disease (RHD), kan dat het broedsucces beperken.
Risico’s en sterfte
Net als in voorgaande jaren werden ook in 2025 weer slachtoffers gemeld van botsingen met verkeer of hoogspanningsleidingen. Oehoes jagen vaak laag over open terrein en volgen landschapselementen zoals wegen of spoorlijnen. Dat verhoogt het risico op aanrijdingen. Ook elektrocutie vormt een risico, vooral bij oudere masttypen. Samenwerking met netbeheerders om gevaarlijke constructies veiliger te maken blijft daarom essentieel. Preventieve maatregelen kunnen de sterfte onder adulte vogels beperken — dit is belangrijk, want bij langlevende soorten als de Oehoe weegt het verlies van volwassen dieren zwaar.
In 2025 werden zeven dode Oehoes gevonden, waarvan drie slachtoffers waren van de parasitaire ziekte Trichomonose (het Geel), vermoedelijk opgelopen door het eten van besmette duiven. Van twee andere vogels – één jong in Drenthe (onderaan het nest dat zich in een silo bevond) en één volwassen dier in Gelderland – bleef de doodsoorzaak onbekend. Opvallend was de vondst van een jong in Noord-Brabant dat eerder 80 kilometer verderop was geringd.
Predatie en concurrentie
Hoewel de Oehoe zelf een toppredator is, zijn eieren en jonge kuikens kwetsbaar. In 2025 werden enkele gevallen van predatie vermoed, mogelijk door de vos of steenmarter. In sommige gebieden lijkt ook de aanwezigheid van andere grote roofvogels invloed te hebben op territoriumkeuze en broedsucces. Interessant is de wisselwerking met de Havik en Buizerd. In sommige regio’s lijken Oehoes territoria over te nemen van andere roofvogels; in andere gevallen co-existeren zij op korte afstand van elkaar. Ecologische interacties worden steeds complexer naarmate de oehoepopulatie dichter wordt.
Verschuiving
Waar eerst jarenlang sprake was van vestiging en snelle groei, verschuift het evenwicht nu naar stabilisatie en kwaliteit van leefgebied van de Oehoe. De populatie groeit, maar minder spectaculair dan in de pioniersfase. Dat is geen teken van achteruitgang, maar van het volwassen worden van de populatie. Dichtheden in kerngebieden nemen toe, waardoor concurrentie tussen paren kan ontstaan. Jonge vogels moeten verder zoeken naar geschikte broedplaatsen. Dat kan leiden tot uitbreiding naar minder optimale habitats — met mogelijk lagere broedsuccessen. Ringgegevens en waarnemingen tonen aan dat jonge Oehoes zich over aanzienlijke afstanden kunnen verplaatsen. Dispersie is cruciaal voor verdere uitbreiding van de populatie. In 2025 werden opnieuw vogels gemeld op locaties waar nog geen territorium bekend was. Niet elke zwervende vogel vestigt zich succesvol. Geschikte nestlocaties, voldoende rust en voedselaanbod bepalen of een territorium duurzaam bezet raakt. De uitbreiding verloopt daarom geleidelijk.
Monitoring en samenwerking
Het jaar 2025 laat opnieuw zien hoe belangrijk monitoring is. Vrijwilligers, terreinbeheerders en onderzoekers werken nauw samen om territoria te volgen, broedsels te controleren en gegevens te verzamelen. Zonder deze inzet zou het inzicht in populatieontwikkeling veel beperkter zijn. Het delen van informatie gebeurt zorgvuldig. Gevoelige gegevens over nestlocaties worden alleen gedeeld met direct betrokkenen. Dat beschermingsregime is noodzakelijk in een tijd waarin informatie zich snel verspreidt via sociale media. De Oehoe is en blijft immers een iconische soort en de publieke belangstelling groeit.
Meer lezen over de Oehoe in 2025?
Lees hier het jaarverslag van Oehoe Werkgroep Nederland